![]() | ||||
![]() | |FR|EN|DE| |start|info|contact| | |||
![]() | ||||
![]() |
![]() |
![]() |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Bierbrouwen naar een 18de eeuws recept Het Paenhuys van Diepenbeek In 1719 stond, zo blijkt uit een visitatieverslag van rentmeester Cox, in Diepenbeek in het centrum van het dorp langs de heerbaan een "paenhuis" in steen. Het oude zo zegt Cox, is door brand vernield. Cox is rentmeester van de landcommanderij Alden Biesen en brengt in dit document verslag uit van de situatie in Diepenbeek. Dat doet hij door het beantwoorden van een 36 tal vragen, die hem door de administratie van de landcommandeur waren opgelegd. Op die manier werd de administratie en dus ook de landcommandeur nauwgezet op de hoogte gebracht van het reilen en zeilen, van de kosten en baten van alle bezittingen in de heerlijkheid Diepenbeek: boerderijen, molens en paenhuys. De vragen kennen we niet, maar uit de antwoorden, die met een korte plaatsbeschrijving of een historiek aanvatten, kan afgeleid worden dat landcommandeur Hendrik van Wassenaer (1690-1709) het Paenhuis liet bouwen rond 1701. Het was een "brauhaus" zonder huis, erf, tuin, of landerijen. Er was zelfs geen brouwer. Cox zelf heeft de sleutel, houdt toezicht, zorgt dat de installatie in orde is en overhandigt de sleutel tegen betaling aan eenieder die wil komen brouwen. Een car-wash of muziek-o- droom avant la lettre. Met dit verschil dat de dorpelingen toen verplicht waren te brouwen in het Paenhuys om op die manier belastingen te betalen op hun bier. De dorpelingen brengen zelf hun brouwgewassen mee; materiaal en water werd hun ter beschikking gesteld. Dat water kwam van de "Fonteyne" in naast gelegen straat, van een vijver en van regenwater, dat in een "opgemetste stenen klompe" verzameld werd. Vijver en regenput werden regelmatig op last van de rentmeester gereinigd. Het mouten deden de boeren vermoedelijk thuis op zolder of misschien gewoon niet. Er werd inderdaad ook gebrouwen met ongemoute tarwe of gerst. Het brouwen zelf verliep volgens het principe "eerst komt, eerst brouwt". De rentmeester moest enkel op voorhand verwittigd worden. Men was verplicht om een minimale hoeveelheid van respectievelijk 10 en 8 tonnen bier te brouwen, opdat de ketels niet zouden stuk gaan. De maximum capaciteit van het Paenhuys bedroeg drie grote en drie kleine ketels per week. In de zomer brouwde men 18 à 20 brouwsels, in de winter 7 à 8. Voor een grote ketel van 21 aam of 18 tonnen bier (3000 liter) betaalden de dorpelingen 2 Luikse gulden; voor een kleine ketel van 14 aam of 10 tonnen bier 1,5 Luikse gulden. Ter vergelijking: de bouw van het Paenhuys zelf had aan de landcommandeur 7000 Luikse gulden gekost. Waarom was er geen brouwer zoals in de steden of een pachter die de brouwerij in concessie nam? Een pachter-brouwer die, zoals in andere gemeenten, zelf bier zou kunnen produceren en verkopen, maar ook herberg kon houden. Diepenbeek was met haar 1500 inwoners in 1719 toch geen klein dorp en lag bovendien aan een grote verbindingsweg. Het antwoord ligt wellicht in te geringe opbrengsten. Cox zelf schreef dat geprobeerd werd om het Paenhuys te verpachten, maar dat niemand interesse betoonde. Later bleek de opbrengst inderdaad zo bescheiden voor Alden Biesen, dat niet eens de interesten van de bouwkosten konden afgelost worden. Aan het systeem van cijns, waar de Diepenbekenaren overigens laat mee kennis maakten, kwam een einde door de franse bezetting na de Franse revolutie. Laat, want in tegenstelling tot andere heerlijkheden waar dorpelingen al sinds de vroege Middeleeuwen verplicht waren om hun bier te brouwen in het "bannale Paenhuys", gebeurde dit in Diepenbeek pas in de 18de eeuw. Dat kwam omdat de oorspronkelijke eigenaars van Diepenbeek, Isabella Francesca de Merode en de adellijke familie de Gavere hun rechten niet hadden laten gelden. De Duitse orde deed dit, na verwerving van de heerlijkheid in de laatste kwart van de 17de eeuw, wel. Tot in 1700 hadden de Diepenbekenaren hun bier volgens eigen kracht en rekening (thuis dus) mogen brouwen. Het is landcommandeur Van Wassenaer die zijn rechten laat gelden, alle brouwinstallaties in Diepenbeek zal laten afbreken en de bevolking zal verplichten het bier in het nieuw gebouwde Paenhuys te brouwen, zodat de inkomsten aan hem (Alden Biesen) toekomen. Na de Franse Revolutie werden alle goederen publiek verkocht. Het Paenhuys werd eigendom van de gemeente. Uit de rekeningen blijkt echter dat het brouwen vanaf 1835 gestaag verminderde en dat er in 1865 zelfs helemaal geen inkomsten waren. De gemeenteraad nam dan ook op 18 januari 1866 het besluit om het Paenhuys als brouwerij te sluiten en de inboedel te verkopen. Het gebouw zelf werd bergplaats voor de gemeente en later een "huis van bewaring" . Even werd er aan gedacht om er een bibliotheek in onder te brengen en werden er pogingen ondernomen om het gebouw als monument te beschermen. Maar de overbrenging naar het Openluchtmuseum van Bokrijk bleek de ultieme oplossing. Bij die overbrenging bevond het gebouw zich in een bedenkelijke staat. Er werden jammer genoeg geen opgravingen verricht en bij de heropbouw werden nagenoeg alle sporen gewist die ons vandaag zouden toelaten een beter beeld te vormen van de toestand van het gebouw in de 18de eeuw. Zo werd in het afbraakverslag genoteerd dat de omlijsting van de poort links 80 cm dieper in de grond zat dan de bestaande dorpel. De toenmalige conservator Weyns vermoedde dat de grond opgehoogd werd in de loop der jaren Uit de plaatsing van de ramen lijkt deze conclusie vandaag voorbarig. Maar een antwoord werd niet gevonden. Ook niet op de vraag waarvoor het vierkant gat diende dat op 80 cm in de oostelijke gevel werd gevonden. Een molenas? Een mechanisme voor dierlijke aandrijving? Een opening om het water te laten weglopen? Een luik om de draf rechtstreeks naar een aanpalende ossenstal te voeren? Losse veronderstellingen: er zijn te weinig oorspronkelijke gegevens voorhanden. Op 24 oktober 1955 werd met de heropbouw in Bokrijk begonnen. Het verslag vermeldt dat de oorspronkelijke binnenverdeling werd weggelaten zodat de binnenbouw één ruimte werd, misschien wel zijn oorspronkelijke vorm van vroegere jaren...Het weglaten van binnenmuren en het creëren van grote ruimtes paste Weyns bij het begin van de opbouw van het Openluchtmuseum nog toe. Waarom hij dat deed, is vooralsnog niet duidelijk. Ook in Sint Gummarus liet hij de binnenmuren weg om een grote gelagzaal te creëren. Nader onderzoek van de archieven van Alden Biezen, van de ordonanties van Diepenbeek, van de geschriften van J. Weyns en deze van de Ridderschap van de Roerstok moet nog een en ander kunnen ophelderen. Zoals uit de nota van architect Kristien Ceyssens bleek, leverde de restauratie van de binneninrichting eveneens grote problemen. Brouwketel, roerkuipen en koelschip waren afkomstig van de brouwerij Tomsin uit Hoegaarden. Zij werden eveneens met intense romantische bevlogenheid in de ruimte geplaatst. Het verzoek van de Orde van de Roerstok, die de installatie financierde, om in het Paenhuis een tafel "na te maken" waar de "gildebroeders eertijds belangrijke besluiten troffen" kon in extremis door Weyns zelf nog geweerd worden. Nader onderzoek zal eveneens moeten uitwijzen of het Paenhuys als semi - openbaar gebouw , nog andere functies vervulde. Voorbeelden hiervan zijn rechtszittingen of informatierondes voor de bevolking. Misschien vervulde het brouwhuis een rol in het sociale weefsel van het dorp, zoals een dorpspomp, waar mannen en vrouwen kwamen om te werken en te brouwen maar ook om nieuwtjes uit te wisselen en te verzamelen. Misschien golden er voorschriften die in perioden van schaarste het aanwenden van granen voor bier verboden enz. | ![]() |
| ![]() |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ©2001 - bg | ![]() | | Webmaster| web-badges | | ![]() | ![]() |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||